donderdag 2 oktober 2014

Dyspraxie en sport

Er loopt iemand in huis heel trots rond met nieuwe rijschoenen, chaps en paardrijsokken. Na 3 lange jaren wachten eens niet de goedkope Decathlon-variant nee gisteren zijn we naar een echte paardrijwinkel gegaan. Het was dik verdiend. Er was nog verjaardagsgeld over en 2 supergoede wiskundetoetsen op rij dat moet natuurlijk gevierd worden.
Hoe komen we nu aan paardrijden ? Wel, laat ik jullie meenemen in de wondere wereld van de sportgeschiedenis hier in huis.

Zoals wellicht zovele kleine meisjes begonnen we met kleuterturnen, ons toen nog volledig  onbewust van enig probleem.  Maar al snel bleek het eerder op klungelturnen te lijken en hoe klein ze ook was toen (een jaar of 4-5) de frustratie was al zichtbaar. Dit was geen succes, exit turnclub.
Volgende etappe is ook een gouwe ouwe bij de mini-meisjes; ze wou op dansles. En was het de eerste paar keren nog schattig om te zien hoe die van ons steeds een tel te laat was om het pasje te doen, na een paar lessen was dit ook uitgemond in frustratie. Het hielp ook niet dat de andere kinderen duidelijk lieten blijken dat ze niet opgezet waren met iemand die steeds de groepsdans in de war gooide. Exit dansclub.

Het eerste leerjaar kwam in zicht en we hadden al door dat de tweewekelijkse zwemles op school niet echt vlot zou werken om te leren zwemmen. Dus we deden wat zovele ouders doen, die van ons ging op zwemles. Dat was een groot succes. Hier had ze plezier in, dit ging goed. Tot ze 2 jaar verder was en de zwemles meer en meer begon te veranderen richting zwemclub met onderlinge wedstrijdjes (nee natuurlijk won die van ons nooit) en de frustratie kwam weer om de hoek kijken.
Het was duidelijk dat ons kind wel wilde sporten en bewegen maar niet in competitie. Inmiddels waren we ook al druk in de weer met naschoolse logo en kine want hier en daar gingen toch tekenen op in school dat er wel eens iets aan de hand zou kunnen zijn. We bespraken het probleem met de kinesist die maandenlang oefende om die van ons ook te laten hinkelen, koprollen en andere toestanden die je kleine kinderen spontaan ziet doen. (wat overigens nooit gelukt is) We kregen als feedback dat we best iets moesten zoeken dat niet in groep werd gedaan en niet teveel nadruk zou leggen op lichamelijke oefeningen. Tja. Avondenlang heb ik het internet afgezocht, websites bekeken van sportclubs in de buurt, contact gehad met bestuursleden en plots was het daar.
Licht aan het eind van de tunnel in de vorm van (trommelgeroffel) thai boxen.

Thai wat ? Ja precies. Stoer he. Het leek online heel interessant : individuele training in groep en kinderen waren te jong voor competitie. Een mailtje met wat achtergrond over onze dochter en onze zoektocht werd beantwoord met een lang schrijven van de jeugdtrainer over zijn visie van kinderen in een sportclub. We lazen de dingen die we zochten. Belangrijk was kinderen laten bewegen, niet perfecte bewegingen maar plezier in bewegen hebben. Kinderen mochten niet tegen elkaar sparren maar wel tegen de trainer (dat laatste om als groep bijvoorbeeld een afsluitspel te winnen) Uitlachen, pesten, iemand geen kans geven,....zulke dingen werden meteen aangepakt want hoorden niet thuis daar. We vertrokken enthousiast met dochterlief naar een kijkles. Halverwege was de kijkles al een doeles geworden want die van ons wilde niet meer aan de kant blijven. Ze deed dit een jaar lang vol overgave (voor ouders die nu denken DE sport gevonden te hebben....bezint eer ge begint...die bokshandschoenen kunnen stinken man man man)

Inmiddels was dochter 10 geworden en aan het 2de jaar thai boxen begonnen maar helaas...de trainer viel steeds vaker uit. Uiteindelijk werd hij opgevolgd door een even enthousiaste kerel maar wel iemand met een andere visie. Kinderen moesten tegen elkaar wedstrijdjes doen, oefeningen werden een pak moeilijker (veel verschillende opeenvolgende bewegingen) en we zagen de frustratie weer komen. Inmiddels was de vraag : mag ik dan gaan paardrijden ? dagelijkse kost geworden bij ons. De consensus werd gevonden in het jaar thai boxen nog afmaken (zelfverdediging voor een meisje aan de vooravond van de puberteit sprak mij wel aan) en als beloning hiervoor mocht er gestart worden met het paardrijden.

Hadden we toen geweten wat we nu wisten dan hadden we dit jaren eerder gedaan. Wat een leuke sport en bezigheid. We kwamen terecht bij een heel gemoedelijke manege (toegegeven ik had wat vooroordelen over deze sport en de mensen die zich ermee bezig hielden....dit bleek onterecht). Lijfspreuk van de manege is : oudere ruiters helpen de jonge ruitertjes. Behalve fysiek in de weer was dochterlief daar ook volop bezig met het sociale aspect. Daarbij geeft zo een dier natuurlijk veel liefde, troost en gezelligheid. Inmiddels behoort ze tot de oudere en meer ervaren ruiters en blijft ze soms hele zaterdagmiddagen daar om de kleintjes te helpen opzadelen. Er voltrekt zich nu regelmatig een zeer vreemd fenomeen. Thuis wordt de vraag of de slaapkamer eens opgeruimd kan worden onthaald met veel zuchten en kreunen en zie ik in haar ogen dat dit echt geen coole opmerking is. Maar op de manege....daar wordt zonder morren geholpen in de stallen, met het voederen en als je echt mazzel hebt dan ben je de gelukkige die in de les mag meehelpen (lees : in de bak staan stront scheppen) Ze stinkt uren in de wind als ze thuis komt, heeft rode wangen van de vermoeidheid maar heeft volop genoten van het sporten, de mensen en de dieren.

En dan wacht weer die berg huiswerk.
En helaas ook nog steeds die slaapkamer.....



Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen